Van Bosbewoner tot Australorp

Attention: open in a new window. PDFPrintE-mail

Zolang de mensheid bestaat zolang ook heeft men geprobeerd om wilde dieren te temmen. Zo is het ook gegaan met het hoen, duizenden jaren geleden is dat begonnen en nooit heeft het de mens weer verlaten en diende het hem als vleesleverancier, als sportobject, ja zelfs als offerdier, dezelfde mens die het soms verachtte, dan weer verhief tot een soort godheid.

 

 

In tamme staat zorgde het hoen voor talrijke variaties en rassen die vandaag de dag nog bestaan terwijl de oervorm van al die tamme rassen zich kon blijven handhaven in zijn oorspronkelijke staat, daar in de donkere wouden van Java, Zuid Sumatra en Bali leeft hij nog, de wilde voorouder van al onze tamme hoenderrassen, het Bankivahoen ook wel het rode boshoen genaamd dat van de vogelkenners de Latijnse naam kreeg van Gallus Bankiva.

 

Hoewel zijn aantal steeds minder wordt zal het zich ongetwijfeld kunnen handhaven mede door zijn grote schuwheid. Wat is dat nu voor een dier die Bankiva, die zo vaak het onderwerp is geweest van twistgesprekken en polemiek? De Bankiva heeft de gestalte van een wat fors ontwikkelde kriel, de hanen zijn uitgerust met een rijk ontwikkelde sierstaart, op het eerste gezicht lijkt hij op een uit de kluiten gewassen patrijskriel, de hen heeft niet zo'n mooi verenpakje als de haan, zij moet het doen met een overwegend grijsbruin verenkleed, de halsveren zijn geel/oranje, deze vogels zijn in de loop der tijden erg schuw geworden door de jacht die er op is gemaakt, in volières zijn ze dan ook moeilijk te houden, in het bos leiden zij een verscholen leven zich voedend met insecten, granen en groen.

 

De inlanders krijgen de Bankiva pan ook moeilijk in het oog want bij het minste gerucht verdwijnen ze weer in het dichte struikgewas; horen doet men ze echter wel want het gekraai der hanen kan men gemakkelijk onderscheiden van die der tamme hoenders.

 

De Bankiva heeft altijd in de belangstelling gestaan omdat zij gerekend wordt de enigste voorouder van al de tamme hoenderrassen te zijn, hoewel er nog een paar andere soorten wilde hoenders zijn, te weten, het Ceylonhoen, Java of vorkstaart hoen en het sommerat hoen. Dat de Bankiva de eer geniet komt door het feit dat kruisingen tussen Bankiva en huishoen altijd vruchtbare nakomelingen opleveren, wat niet het geval is met kruisingen van de twee andere soorten. Nog niet zo heel lang geleden verscheen er een boek op de markt dat pretendeerde om als allround pluimveeboek de historie in te gaan waarin de schrijfster stelde dat het gewone huishoen helemaal niet van de Bankiva afstamde maar van het sommerat hoen, als reden voerde zij aan dat de Bankiva veel te schuw was en het sommerat hoen gemakkelijk handtam gemaakt kon worden, baarlijke onzin natuurlijk, de schuwheid zoals zich die thans voordoet bij de Bankiva is helemaal niet te vergelijken met het gedragspatroon van de Bankiva van voor de jaartelling. Er zijn tijden geweest dat deze wilde vogel in het geheel geen gevaar van de mens te duchten had, vooral de haan werd aangezien voor een heilige vogel, het was derhalve verboden hem te doden. Door die situatie bleef hij allengs in de nabijheid van de schamele hutten van de bosbewoners waar hij voedsel in overvloed vond, ja zelfs door hen gevoederd werd. In het licht van die tijd moet men ook de domesticatie van het hoen bekijken, dit gebeurde niet in een tijdspanne van luttele jaren, maar heeft misschien wel een eeuw of meer geduurd, de domesticatie werd in de eerste plaats gemakkelijk gemaakt door de verschillende woongebieden, waarin de Bankiva leeft, op de tweede plaats zien wij dat binnen de soort nog al wat mutaties optreden, waardoor er variaties ontstaan die de basis vormen voor andere rassen. Tenslotte zien wij dat de Bankiva zowel polygaam als monogaam leeft, wat wij ook weer zien bij rassen als de Maleiers en andere soorten vechthoenders.

 

De Bankiva ruit twee keer per jaar en dit verschijnsel zien wij soms ook bij oude tamme rassen, deze terugslag (atavisme) op voorouderlijke kenmerken is ook een bewijs dat het huishoen afstamt van de Bankiva.

 

Wat was nu het doel van de mens om dit boshoen tot zijn metgezel te maken?

 

Waarschijnlijk uit zuiver genoegen en zonder enige bijbedoelingen, het verschaft hem enig genoegen door zijn gekraai en later gebruikte hij hem voor de hanengevechten, wat ook weer enige selectie op bepaalde raseigenschappen in de hand werkte, er werd natuurlijk niet alleen op vechtlust geselecteerd maar ook bijvoorbeeld op grootte en bevedering. Nu rijst onmiddellijk de vraag over het ontstaan van de reuzenrassen zoals Brahma of Cochin. In eerste instantie lijkt het mij onmogelijk dat dergelijke rassen ontstaan zouden zijn uit een vogel zo groot als een forse kriel. Een dergelijke veronderstelling echter zou voorbij gaan aan methoden van selectie zoals wij even genoemd hebben, er zijn echter wetenschapsmensen geweest die een andere weg hebben ingeslagen namelijk die van de veronderstelling. Men creëerde namelijk theoretisch een reuzenras, een wel te verstaan de Gallus Giganteus die op een uit de kluiten gewassen Maleier lijkt. Men is zelfs zover gegaan om in de standaard op te nemen ons reuzenhoen getekend door van Gink op aanwijzingen van een zekere Finsterbusch, die ook geen raad wist met het ontstaan van de grote hierboven genoemde rassen. Het is nog steeds een raadsel hoe een dergelijke standaard kon ontstaan bij mensen die toch echt wel beter wisten, immers het gehele gedoe om de Gallus Giganteus berust zuiver en alleen op veronderstellingen, nooit is er een skelet gevonden, waaruit bleek dat een dergelijk reuzenhoen heeft bestaan. Men kan daarom gerust aannemen dat rassen die thans opvallen door grootte van lichaamsbouw, zoals de grote Australorp ontstaan zijn door teeltkeuze en doelgericht fokken, dit over een lange reeks van jaren. Dit lijkt ons een meer aannemelijke verklaring over het ontstaan van die rassen, dan de theorie over het zo genaamde reuzenhoen. Het zijn de Aziaten geweest die zorgden dat na de domesticatie het hoen zich kon verbreiden over het gehele vasteland van het verre Oosten, vooral in China kan men bogen op zeer oude tradities op het gebied van de hoenderteelt.

Uit oude geschriften is gebleken dat reeds 1400 v. Chr. in China gebruikt werd gemaakt van kunstmatige broedmethoden. Hieruit blijkt wel wat een enorme vlucht deze teelt toen al had genomen terwijl er hier in de lage landen van enig sociaal leven nog nauwelijks sprake was, was men daar reeds begonnen aan het cultiveren van verschillende hoenderrassen.